Gert Oostindie
Geschiedenis en sociale wetenschappen
Gert Oostindie is directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) in Leiden en hoogleraar bij het Instituut voor Geschiedenis aan de Universiteit Leiden (foto Mark Kohn)
Geesteswetenschappers zijn vaak een beetje jaloers op natuurwetenschappers, al spreken ze dat zelden uit. Een elegante wiskundige formule, de pil die alle pijn verzacht, de ontraadseling van het DNA of de oerknal: dat is pas echte magie! Bovendien ligt het werk van natuurwetenschappers vaak weer ten grondslag aan spectaculaire uitvindingen, van de eerste mens op de maan tot de atoombom (het is niet alles goud wat er blinkt).
Nee, dan de geesteswetenschappers. Wat vinden die nu helemaal uit? Eén antwoord op die vaak plagend of ronduit denigrerend gestelde vraag is het zoveel mogelijk werken met de harde methoden van de natuurwetenschappen. Veel conceptualiseren en operationaliseren, tellen en meten. Je hebt wel eens het gevoel dat daarmee een sluimerend minderwaardigheidsgevoel moet worden weggewerkt, maar toch. Zeker is dat deze aanpak vooral in de sociale wetenschappen een grote vlucht heeft genomen, vaak met mooie resultaten. Mijn eerste vakgebied, de geschiedenis, ligt zo’n beetje op de grens van de sociale wetenschappen en de letteren, en ook in de geschiedwetenschap (jawel) is de afgelopen halve eeuw steeds meer ruimte gekomen voor ‘harde’ onderzoeksmethoden.
Ik heb daar in het eerste deel van mijn carrière als historicus naar hartenlust aan meegedaan. Dat begon al met mijn doctoraalscriptie. Waarom en hoe legde de Spaanse kolonie Cuba als een van de eerste landen ter wereld spoorwegen aan? Wat koste het en wat leverde dat op? Waarom maakte van de eerste twintig of dertig landen die ‘wegen van ijzer’ aanlegden, alleen Cuba geen industriële transitie door?
In mijn proefschrift probeerde ik grip te krijgen op het verre verleden van de slavernij in Suriname. Voor ik het wist, bracht ik een jaar door met het berekenen van de productiviteit van suikerakkers, koffiebomen en slaven, van demografische patronen van slavenbevolkingen, van de geldstromen tussen Nederland, Afrika en de ‘Nieuwe Wereld’. En geloof het of niet, het had iets absoluut magisch om, bijvoorbeeld, uit te kunnen rekenen dat de Surinaamse polderplantage – wat een innovatie! – internationaal lang op eenzame hoogte van productiviteit stond. Of dat demografische cijfers uitwijzen dat het leven op een suikerplantage veel zwaarder was dan op een koffieplantage.
In het tweede deel van mijn carrière ging ik me meer bezighouden met politieke en culturele thema’s. Het aardige van politieke geschiedenis ligt, zo heb ik ervaren, zelden in het vinden van iets wezenlijks nieuws, maar je hebt veel ruimte om verbanden te leggen. Soms laat iemand een origineel verband zien, een enkele keer ontdek je zelf zoiets. Een beetje magisch is dat wel.
Bij onderzoek naar antropologische of cultureel-historische thema’s moet je natuurlijk ook een helder hoofd hebben, je vragen, begrippen en verklaringen transparant houden, enzovoorts. Maar daar wordt het steeds meer ‘meerstemmigheid’ wat de klok slaat. Het is een bekend verhaal. Naarmate onze thema’s zachter worden, boeten ook onze methoden en conclusies aan hardheid en dus intersubjectiviteit in. Dat is niet per se of in de eerste plaats het probleem van de beoefenaars van die takken van wetenschap – al zijn die soms wel extreem vervuld van talige redeneringen – maar van de onderwerpen die zij aanpakken. Daar bereik je als onderzoeker of als lezer van het werk van een ander vaak de conclusie dat allerlei interpretaties zouden kunnen gelden, maar dat geen enkele evident de beste is. En dus ook het punt dat je wel eens verzucht ‘was ik maar iets harders gaan studeren!’ (En dan vergeet je maar even dat ook in de natuurwetenschappen hard niet altijd zo hard is als het lijkt.)
Zit de magie van het wetenschappelijk onderzoek voor mij dan alleen maar in harde, zo mogelijk te kwantificeren ontdekkingen? Welnee; anders was ik trouwens al lang iets anders gaan doen. Vaak is het juist die verdwaalde ‘bron’, of dat plotse inzicht in een verband tussen een paar bronnen dat je even de sensatie geeft dat je iets dichter bij een begrip van dat verleden komt. Detectivewerk soms. Een uit vele puzzels schiet me nu te binnen. Plotseling, door de uitzonderlijke werkdruk op een bepaalde achttiende-eeuwse plantage te berekenen, begrijpen waarom juist dáár en op dát moment de slaven in staking gaan – en dan te zien dat de verantwoordelijke, ontslagen(!) planter elders hetzelfde hoge spel gaat spelen, wéér verzet uitlokt en uiteindelijk, wraak!, vermoord wordt.
Couleur locale, wat weten we ervan? We zullen echt nooit ten volle begrijpen hoe mensen zich in andere tijden of verre plaatsen voelden. (Sterker: wat weten we eigenlijk van onze huidige buren?) Maar het zoeken naar snippers uit het verleden; het doorbladeren van oude brievenboeken waarin we soms onze eigen besognes herkennen, soms verbijsterd zijn over wat de mentaliteit van een andere wereld lijkt; het puzzelen met tijdas, atlas en rekenmachine; het nóg eens goed tot ons laten doordringen van die vergeelde prent, dat geluidsfragmentje van een ooggetuige – als dat geen stof is voor magie (de onderdompeling in, soms de verklaring van...), wat dan wel?