Het magische onderzoek naar vogels die in nestkasten broeden, begon in 1910 met G. Wolda. Deze onderzoeker van de Plantenziektekundige Dienst in Wageningen hing enkele nestkasten op in het nabijgelegen bos Oranje Nassau Oord. Dat deed Wolda niet zozeer om mezen en zo te bestuderen. Het was meer een prille vorm van biologische bestrijding. (Waarschijnlijk weinig succesvol, aangezien de impact van mezen op de vele rupsen die op de kolossale eiken leven, miniem is.)
H.N. Kluyver
Vanaf 1924 werd het nestkastonderzoek wat serieuzer aangepakt toen H.N. Kluyver mee ging doen. Hij was meer geïnteresseerd in de vogels zelf en voorzag ze van ringen met een uniek nummer. In 1953 publiceerde hij een belangrijk artikel over de broedvogelpopulatie en vanaf 1955 werden alle broedgegevens exact bijgehouden. Inmiddels (1954) was Kluyver directeur geworden van het door de KNAW opgerichte IOO in Heteren. (Een van de drie onafhankelijke ecologische onderzoekscentra die in 1992 samen zijn gegaan tot het NIOO.) Hij had voor het nestkastonderzoek vier nieuwe bosgebieden gekozen: Vlieland, de Hoge Veluwe, Oosterhout (Gelderland) en het Liesbos bij Breda. Het populatieonderzoek in deze vier bossen loopt nog steeds en heeft een schat aan informatie opgeleverd. Onder meer over de optimale leggrootte, de gevolgen van zure regen op eischalen en het effect van de klimaatverandering op de timing van reproductie.
De indrukwekkende database over de koolmees en andere nestkastbroeders zal de komende jaren flink worden uitgebreid met nieuwe veldgegevens en koppelingen met metingen van hun gedrag, endocrinologie en DNA. Daarnaast gaan we ook de oude broedgegevens van de nestkasten in Oranje Nassau Oord in de computer invoeren. Ze zijn er allemaal nog van 1910 tot 1957, met uitzondering van het voorjaar van 1945 toen het bos langs de Nederrijn in de frontlinie lag tussen de Geallieerde troepen en de Duitsers. Als alle gegevens zijn verwerkt en geanalyseerd, kunnen we in 2010 beschikken over de data van 100 jaar nestkastonderzoek.