Plattelandsdokter Cornelis Bakker uit Broek in Waterland tekende tussen 1898 en 1916 vele volksverhalen en nog veel meer volksliedjes van zijn patiënten op. De meesten van hen waren eenvoudige veehouders, boerenknechten en vissers. Zijn collectie maakt deel uit van de grotere verzameling mondeling erfgoed van Nederland, die wordt beheerd en ontsloten door het Documentatie- en Onderzoekscentrum Volksverhaal van het Meertens Instituut.
Dankzij Cornelis Bakker kennen we de verhalen van Gerrit Eysker uit Beets, die timmermansknecht was en ook rondtrok als belezer, een gebedsgenezer voor ziek vee. Hij vertelde Cornelis Bakker de volgende sage over een voodoopop:
“Een schippersknecht te Hoorn was getrouwd. Om den anderen nacht moest hij als beurtschipper ’s nachts van huis om te varen. Dan werd hij 's nachts benauwd en zweette en kwijnde als sneeuw voor de zon. Iemand kwam op het idee dat zijn vrouw de schuld wel kon hebben. Hij ried den schippersknecht dus aan, die nacht thuis te blijven, zich te verschuilen en te zien wat zijn vrouw deed. Dit deed de knecht. 's Nachts om elf uur haalde zijn vrouw een doos uit de kast. In die doos was een pop. Die pop stak zij met spelden. Eerst het hoofd. Daarna de beenen en zoo vervolgens zooals de cijfers aangeven. Als ze in het hart in 11 had gestoken, dan was hij dood geweest. Hij heeft de pop genomen en verbrand en is van zijn vrouw gescheiden.”
Dat het verhaal verteld werd, hoeft natuurlijk nog niet te betekenen dat het ook geloofd werd. Het betekent wel dat men hier te lande bekend was met magische praktijken van voodoopoppetjes.