Zes weken werkten Karl Marx en Friedrich Engels aan hun Communistisch Manifest. Het was oorspronkelijk bedoeld als politiek program voor een in Londen gevestigde Duitse arbeidersvereniging. Vanuit Marx’ woonplaats Brussel bereikte het manuscript begin februari 1848 de Britse hoofdstad. De eerste uitgave werd gemaakt in een klein drukkerijtje in Liverpool Street in een oplage van duizend, vol zetfouten. De uitgave viel zowat samen met de Parijse Februarirevolutie en de daaropvolgende revolutionaire woelingen in Europa.
Het Manifest begon zijn carrière als clandestien pamflet en geloofsbrief van revolutionairen in diverse Europese landen. Ook Nederland kreeg een honderdtal exemplaren toegespeeld. Tijdens een arbeidersdemonstratie en daarop volgende ongeregeldheden in Amsterdam op 24 maart 1848 werd het Manifest op een van de arrestanten gevonden en in beslag genomen. Een ambtenaar maakte een ondeugdelijke samenvatting en stopte die in het politiearchief. Het originele handschrift kwam, met het Marx-Engels-archief, zo’n honderd jaar later ook naar Amsterdam. Daar was in 1935 het IISG opgericht om de ‘papieren van de revolutie’ veilig te stellen en te bewaren. Het Instituut bewaart alle edities die het maar te pakken kan krijgen, en de bestudering van het Manifest gaat tot op de dag van vandaag door.
In zijn lange leven onderging het Communistisch Manifest tal van gedaanteverwisselingen. In landen die geen vrijheid van drukpers kenden, is de tekst op middeleeuwse monnikenwijze gekopieerd en illegaal verspreid. Grafisch ontwerpers hebben naar een originele uitvoering gezocht en er een affiche of een stripverhaal van gemaakt. Van de Duitse tekst is een braille-editie verschenen. De editiegeschiedenis van het Manifest in ieder land afzonderlijk houdt natuurlijk rechtstreeks verband met de nationale politieke en sociale geschiedenis. Zo verschenen er in het revolutiejaar 1905 dertien Russische edities, en in 1917 tien.