Een Fransman stond aan de wieg van de KNAW: op 8 mei 1808 richtte koning Lodewijk Napoleon - hierheen gestuurd door zijn broer Napoleon - het 'Koninglijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten' op. Andere Europese landen kenden dergelijke instellingen al veel langer, en Lodewijk Napoleon vond het de hoogste tijd dat ook het wat ingeslapen Nederland zo'n 'geleerd genoodschap' zou krijgen. Het nieuwe instituut moest zich, volgens het decreet van de koning, 'bezig houden met het volmaken der Wetenschappen en Kunsten, om derzelver vorderingen in het Rijk bij Buitenlanders bekend te doen worden, en uitvindingen of vorderingen elders gemaakt hier te lande in te voeren.' Om Nederland, kortom, op te stoten in de vaart der volkeren.
Het instituut werd ingericht naar Frans model. Er kwamen vier 'klassen' wis- en natuurkunde, Hollandse letterkunde en geschiedenis, oude en oosterse letterkunde en geschiedenis, schone kunsten met als leden ‘de meest uitmuntende geleerden van het geheele Rijk’.
Bij de oprichting had Lodewijk Napoleon zich al verzekerd van de steun van diezelfde uitmuntende geleerden en letterkundigen: Johan Meerman, Marinus van Marum, Jan Hendrik van Swinden en Willem Bilderdijk waren nauw bij de oprichting betrokken. Andere leden van het eerste uur waren de medicus Gerard Vrolik, de dichter Hendrik Tollens, de jurist/dichter Rhijnvis Feith en de taalkundige Matthijs Siegenbeek.
Karina Meeuwse maakte in samenwerking met Beppe Costa en Geert Lageveen een miniserie van drie afleveringen van 20 minuten over de eerste Koning van Holland en stichter van de Akademie, Lodewijk Napoleon. Gelijktijdig verschijnt bij uitgeverij Karakter de boekuitgave Lodewijk Napoleon, de Hollandse jaren.